
Maar liefst veertien speelfilms van producent Rob Houwer gingen in première
in Theater Tuschinski. Achtereenvolgens zagen Wat zien ik (1971), Turks
Fruit (1973), Keetje Tippel (1975), Soldaat van Oranje (1977), Grijpstra
& De Gier (1979), Hoge hakken, echte liefde (1981), Brandende liefde
(1983), Als je begrijpt wat ik bedoel (1983), De Vierde Man (1983), Het
bittere kruid (1985), Van geluk gesproken (1987), De Gulle Minnaar (1990),
De kleine blonde dood (1993) en De zeemeerman (1996) het licht.
In 2001 werd in opdracht van Houwer een documentaire gemaakt over het leven
van Abraham Içek Tuschinski: Het grootste van het grootste.
Het begin van de samenwerking
'De echte Nederlandse filmgeschiedenis van na de oorlog begon met Wat zien
ik in 1971. Dat is mijn eerste relatie geweest met de familie Gerschtanowitz.
Max Gerschtanowitz was de directeur van Tuschinski voor Rank die het theater
in de tussentijd in handen had gekregen. Hij was de zoon van Herman Gerschtanowitz
die met Tuschinski en Ehrlich het theater leidde.
Max had naast het theater ook een filmdistributiemaatschappij in de Hobbemastraat:
NOVA Nederland, deel van het Tuschinski Concern. Daar ben ik met mijn eerste
Nederlandse speelfilm Wat zien ik naar toe gegaan. Zij zagen er potentie
in en hebben me direct omarmd.
Het was de eerste première waarbij ik op het podium stond van dat
grote theater. De eerste van veertien keer. Al mijn Nederlandse speelfilms
zijn in première gegaan in Tuschinski. Het Tuschinski Theater is
misschien wel het mooiste theater van de hele wereld, en in ieder geval
het mooiste van heel Europa. Voor een filmmaker - voor iedereen eigenlijk
- lijkt het me een droom daar te staan. Voor mij was het ook een droom die
bewaarheid werd. Als jongetje had ik daar vaak genoeg films gezien. En daar
stond ik als producent voor het eerst op dat enorme toneel.
Wat zien ik werd het grootste filmsucces sinds de oorlog. Er zijn 2,7 miljoen
mensen naartoe gegaan; dat was zo opzienbarend dat de kranten foto's publiceerden
van de rijen bezoekers die in de Reguliersbreestraat om het blok heen stonden.
De film werd zo'n opzienbarend succes dat Max Gerschtanowitz in zijn zenuwen
als directeur tegen me zei: "Als de film meer dan een miljoen bezoekers
krijgt, dan krijg jij die twee Chinese vazen." Die stonden toen nog
rechts en links op het toneel. Dat is er helaas bij ingeschoten, die vazen
heb ik nooit gezien. Hij had het nooit voor mogelijk gehouden dat dat zou
gebeuren. Ik leg bij deze de claim maar even: die vazen zijn eigenlijk van
mij.'
Het grootste feest
'Tuschinski heeft aan mij een vermogen verdiend met al die speelfilms die
ik gemaakt heb. Het gaat om tientallen miljoenen guldens, met name tijdens
Rank.
Na Wat zien ik kwam Turks Fruit die had 3,5 miljoen bezoekers. Dat was een
all time record. Hij is ook bekroond als beste Nederlandse film van de vorige
eeuw.
Daarna volgde Keetje Tippel, ook een groot succes, en in 1976 kwam Soldaat
van Oranje: dat was de grootste première die ooit in het Tuschinski
Theater gehouden is. Het complete Koninklijk Huis was er, de Militaire Kapel
zat op het tweede balkon en speelde het Wilhelmus. Op het feest achteraf
zijn er vijftienhonderd flessen champagne kapotgeslagen door de gasten.
Iedereen was in black tie
The Pasadena Roof Orchestra uit Londen was er: die jongens wilden om één
uur weg, want dan verliep hun contract. Ieder half uur dat ze langer bleven
moest dat worden verlengd. Misschien wel tot vier uur, want Paul Verhoeven,
de regisseur, en ik, waren degenen die de laatste fles champagne openden
en dat was om vijf uur 's morgens.
Ja, Soldaat van Oranje was echt de beste filmpremière en een enorm
succes.
Je hebt soms de chemie van een duo: zo was het bij Paul en mij. Dat klikte.
En de grote successen ontstonden altijd in samenwerking met Tuschinski.
Het grote voordeel was je met de Tuschinski Theaters in de Randstad meteen
de beste en grootste exploitant te pakken had én de beste distributeur
én het mooiste theater.'
Gouden duo's
'Onze kracht is ons enthousiasme en onze vakkundigheid. Paul en ik hebben
allebei film gestudeerd. We gaan beiden nogal diep in hoe we dingen benaderen:
waarom we dingen doen. Ik maak een film nooit om geld te verdienen, echt
helemaal nooit, alleen maar omdat ik vind dat de film gemaakt móét
worden. Op die manier zit je er ook wel eens naast, maar meestal niet. Paul
is net zo, dus die combi is heel sterk.
Ik heb ook andere combinaties gehad. Hoge Hakken, Echte Liefde met Dimitri
Frenkel Frank ging ook als een trein. En zelfs een film als Grijpstra en
de Gier, wat echt geen sterk verhaal was, hebben we met Wim Verstappen toch
tot een groot succes kunnen maken. Mensen kwamen zelfs bij de kassa van
Tuschinski om te vragen hoe laat een bepaalde scène was, dan kwamen
ze nog een keer kijken. Dat is geen grapje, dat is een authentiek verhaal.
Ik vind dat een film moet staan als een huis, voordat de eerste regel in
een filmrecensie is verschenen. De mensen moeten zich zo bewust zijn van
een film dat ze toch wel komen wat een filmcriticus ook schrijft. Als de
film in orde is, doet de filmrecensie er niks toe.
Wij hebben nooit goede recensies gehad. De beste gingen over De Vierde Man:
een hele goede film, maar hij liep verreweg het slechtst. Paul en ik zijn
nogal jongensachtig avontuurlijk in benadering, maar daar was De Vierde
Man een uitzondering op, het was vrij intellectueel en Hitchcockachtig.
De waarheid is dat ik tegen Paul heb gezegd: "We hebben al zo vaak
succes gehad, nu maken we één film waar de recensenten van
houden. We zullen ze eens een poepje laten ruiken. We zullen ze precies
geven wat ze altijd van ons verlangen. Of het publiek het wil, dat weet
ik niet, maar ik doe het voor jou."
Het is een hele mooie film geworden.'
Een avond uit
'Ik denk dat ik begin vijftiger jaren voor het eerst in Tuschinski kwam.
Ik heb het variété nog gezien. Als jongetje heb ik ook het
orkest nog wel gezien, net als in City. Daar zag ik een waterorgel: de organist
speelde en op het toneel gingen de waterstralen heen en weer in kleur en
op de muziek.
Ik weet niet of het publiek van nu op variété voor de film
zit te wachten. De jongeren kan het geen bal schelen: die willen popcorn
en cola en de film. De bioscopen van nu zijn geen theaters. Ik denk niet
dat dat juist is: ik denk dat je daar een hele grote doelgroep mee misloopt.
Mensen boven de dertig gaan heel graag uit: die gaan naar musicals, naar
concerten, heel veel uit eten, naar disco's, ze gaan loungen, maar je ziet
ze in de bioscoop eigenlijk bijna niet. Je laat dus een enorm marktaandeel
liggen.
Ik heb ooit eens een voorstel gedaan aan Ronnie Gerschtanowitz. ik zei:
"Waarom maak je niet in serie een replica van Tuschinski en zet je
die overal in het land neer? Zodat je overal dat 'avondje uit'-gevoel hebt."
Tuschinski, die niet kon schrijven, niet kon lezen, niets, die heeft al
die architecten eruit geflikkerd. Terecht want hijzelf was de beste. Deze
mengeling van stijlen heeft hij in zijn gevoel voor stijl neergezet.'
Mindere tijden
'Toen Tuschinski werd overgenomen door Cannon is het misgegaan.
Ik heb wel even met ze te maken gehad, bij Van geluk gesproken van Pieter
Verhoef. Die film heeft drie gouden kalveren gehad, maar daarna was het
met Cannon gauw gebeurd. Golan en Globus waren niet serieus en hebben dat
concern behoorlijk aan de rand van de afgrond geduwd. Dat waren geen heren.
Ik was gewend dat een man een man, een woord een woord betekende, zoals
gold voor Max Gerschtanowitch en daarna voor zijn zoon Ronnie. Maar in die
tijd ging het helemaal mis. Toen hebben ze de distributietak ook afgestoten
en Pathé heeft die nooit meer geopend. Dat vind ik jammer: het is
een ijzersterke combinatie, vooral voor de Nederlandse filmproducent.
Als Lauge Nielsen het zou willen, dan zou ik het best interessant vinden
wanneer Pathé hier zijn eigen distributiepoot zou hebben. Maar de
policy van Pathé is dat ze in de bioscoopbusiness zitten en daar
is niets mis mee.'
De film Tuschinski
Ik had Het grootste van het grootste opgezet als een speelfilm over het
leven van Tuschinski. We hebben de rechten gekocht van het verhaal van Henk
van Gelder.
Het begin en het eind zijn heel duidelijk en sterk. Een klein kleermakertje
gaat naar Amerika, blijft hangen in Rotterdam en heeft het geld van zijn
kaartjes bij elkaar. De avond waarop hij de kaartjes wil gaan kopen voor
de overtocht, heeft het kleermakertje als laatste klant een dominee waar
hij een toga voor gemaakt heeft. De dominee komt, hij haalt zijn toga af
en kankert over het goddeloze volk in die tijd van communisten en socialisten.
De kerken blijven leeg en in het oude koepelkerkje van Rotterdam kwam niemand
meer, het dak was ingevallen en dat kon hij niet meer betalen. Met het geld
om de kaartjes mee te halen, doet Tuschinski een aanbetaling op het koepelkerkje
en zo is Tuschinski begonnen met zijn eerste filmtheater.
Het einde is natuurlijk vreselijk tragisch. In de Reguliersbreestraat bouwde
hij voor zichzelf een monument, een graftombe eigenlijk, want hij geloofde
niet dat het Nazi-gebral hem zijn leven zou gaan kosten. Hij is niet gevlucht
omdat het gebouw dat hij daar neergezet had, niet in de steek wou laten.
Hij is dus later ondergedoken, en in de gaskamer geëindigd. Het is
net als bij de Titanic: had hij de kaartjes voor die boot nou wél
gekocht, was hij wél naar Amerika gegaan, dan was hij als een normaal
mens gestorven.
Abraham Tuschinski heeft dat typische van een Amerikaanse bioscoopkoning:
hij zou net zo goed in Metro Goldwyn Meijer gepast hebben. Dat is zo'n sterk
dramatisch verhaal, dat daar een speelfilm van gemaakt moet worden.
Het middenstuk is heel moeilijk. We zijn er niet goed uitgekomen wat er
in Nederland gebeurd is tot 1940. Edwin de Vries heeft ernaar gekeken -
kijkt er nog steeds naar overigens. Ger Poppelaars deed de research en ontdekte
dat een aantal mensen nog leefde. Op dat moment hebben we gezegd: "Weet
je wat we doen? We gaan eerst een documentaire maken."
Het idee van een speelfilm is nog steeds niet naar de achtergrond. Maar
de documentaire is zo sterk geworden, avondvullend, vijfenzeventig minuten,
die gaat gewoon de bioscoop in. Het zou voor de Tuschinski liefhebber en
ook voor de toeristen een heel goed concept zijn als ze eerst een rondleiding
door het gebouw zouden krijgen en daarna de film Het Grootste van het Grootste
konden zien: het gebouw en het leven van de stichter.'
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.